Scenedoku

Logicazaken op de plaats delict

De bloemenveiling

Bloemenveilinghal · vóór de klokveiling van vijf uur · de partijen lagen op de band en de veilingmeesteres was verdwenen · Moeilijkheid: Rechercheur 6 · 9×9

Bij de bloemenveiling begint de klok om vijf uur ’s ochtends, en om vier uur staat de hal al vol karren met bloemen. Vanochtend liep de band, maar bij de klok zat niemand en Veerle, de veilingmeesteres, was verdwenen. Negen mensen waren die nacht in de hal. Veerle werd dood gevonden. De veiling ging die dag niet door.

Regels

  1. Elke rij en elke kolom bevat precies één persoon. Zodra je iemand plaatst, streep je zijn hele rij en kolom door.
  2. „Naast” = direct links, rechts, erboven of eronder, en in hetzelfde gebied. Vakjes met een voorwerp (de automaat, de balie, de bureaus, het projectiescherm, de transportband, de kratten, de plantenbakken, de weegschaal, de kar, de koelkast, de tafels, de espressomachine, de heftruck, de fiets en de boom) kunnen niet bezet worden; de banken, de stoelen en de krukken wel.
  3. Richtingen slaan op rijen en kolommen, niet op dezelfde lijn: „precies één rij ten noorden van hem was een vrouw” = de persoon in de rij direct erboven was een vrouw, in eender welke kolom; „de noordelijkste persoon in haar gebied” = niemand anders in haar gebied was in een hogere rij.
  4. De moordenaar was alleen met het slachtoffer: niemand anders was in dat gebied. Het slachtoffer legde geen verklaring af – ook haar vakje volgt uit die van de anderen.

Verklaringen

  • Anouk (tulpenkweekster): Een tafel was ergens in haar gebied. Ze was naast een kruk.
  • Bram (rozenkweker): De fiets was ergens in zijn gebied. Een stoel was ergens in zijn kolom.
  • Cornelia (leliekweekster): Een plantenbak was ergens in haar rij. Er was een koper in haar gebied.
  • Daan (de klokbediende): Hij zat op een stoel.
  • Eva (de leidster van de koelcel): Ze was in het kantoor. Een bank was ergens in haar rij.
  • Floris (de heftruckchauffeur): Een stoel was ergens in zijn rij. Een bureau was ergens in zijn kolom.
  • Gerben (groothandelaar): Een kruk was ergens in zijn kolom. Hij was ten noorden van Anouk.
  • Hendrika (bloemiste uit Amsterdam): Ze was naast een stoel. De espressomachine was ergens in haar gebied.
  • Veerle (de veilingmeesteres): Het slachtoffer. Ze was alleen met de moordenaar.

← Zaken