Scenedoku
Logicazaken op de plaats delict
Vlak voor de start
De weide van een ballonfestival · dageraad, minuten voor de massale opstijging · geen kamers, geen muren – en de moordenaar was één hoek verderop · Moeilijkheid: Hoofdinspecteur 10 · 16×16
Bij zonsopgang stond de weide van het ballonfestival vol manden, ballonomhulsels en ventilatoren: bij zonsopkomst moest het hele veld tegelijk opstijgen. Het signaal zou Valter, de hoofdpiloot, geven – in plaats daarvan werd hij dood gevonden naast een ballonmand, gewurgd. Vijftien mensen waren buiten op het gras: vijf piloten, vijf grondhulpen en vijf gasten. De moordenaar was de enige die maar één hoek van hem af was.
Regels
- Deze plek heeft geen kamers: de hele weide is één gebied.
- De moordenaar was de enige persoon op een vakje dat diagonaal aangrenzend was aan het vakje van het slachtoffer.
- In plaats van de algemene regel „alleen met het slachtoffer” wijst hier deze regel de moordenaar aan.
- Elke rij en elke kolom bevat precies één persoon. Zodra je iemand plaatst, streep je zijn hele rij en kolom door.
- „Naast” = direct links, rechts, erboven of eronder. Vakjes met voorwerpen (de ballonmanden, de ballonomhulsels, de gasflessen, de ventilatoren, de zandzakken, de bomen, de heggen, de vlaggenmasten, de kisten, de handkarren, de tafels, de koelboxen, de wegwijzer, de tenten) kunnen niet bezet worden; de zitplaatsen – de hooibalen, de campingstoelen, de banken en de boomstammen – wel: wie op een zitplaats is, zat.
- Twee vakjes zijn diagonaal aangrenzend als ze elkaar alleen in een hoek raken: een rij en een kolom uit elkaar. Uitspraken over zulke vakjes tellen iedereen mee, ook het slachtoffer.
- „Ergens in haar kolom was een handkar” = op een van de vakjes van haar kolom ligt een handkar.
- Richtingen verwijzen naar rijen en kolommen, niet naar dezelfde lijn: „Precies één rij ten noorden van haar was een man” = de persoon in de rij direct boven de hare is een man, in welke kolom dan ook.
- „Hij en Joost waren naast hetzelfde soort ding” = ieder van hen was naast een voorwerp van hetzelfde type; het hoeft niet hetzelfde exemplaar te zijn. „Iemand anders was naast dezelfde gasfles als hij” = een ander was naast precies die gasfles.
Verklaringen
- Alvar (Zweeds kampioen): Hij en Joost waren naast hetzelfde soort ding.
- Berit (Noorse rivale): Zij was naast een gasfles. Precies één rij ten noorden van haar was een man.
- Casper (Nederlandse nieuwkomer): Hij was naast een bank.
- Dóra (lokale favoriete): Op een vakje diagonaal aangrenzend aan het hare was een man. Zij zat.
- Evelin (winnares van vorig jaar): Zij was naast een gasfles.
- Flórián (brandermonteur): Hij was naast een ballonmand. Niemand was op een vakje diagonaal aangrenzend aan het zijne.
- Gerda (chauffeur van de volgauto): Precies één rij ten zuiden van haar was een vrouw. Zij zat.
- Hajnal (weervrouw): Zij was de enige vrouw naast een koelbox.
- Ivett (ballonnaaister): Zij zat.
- Joost (gasleverancier): Op een vakje diagonaal aangrenzend aan het zijne was een man. Hij zat op een bank.
- Károly (burgemeester): Hij was naast een kist.
- Liv (fotografe): Ergens in haar kolom was een handkar.
- Magnus (sponsor): Hij was naast een heg. Iemand anders was naast dezelfde campingstoel als hij.
- Noémi (verslaggeefster): Precies één persoon was op een vakje diagonaal aangrenzend aan het hare. Iemand anders was naast dezelfde zandzak als zij.
- Osvald (gepensioneerd ballonvaarder): Iemand anders was naast dezelfde gasfles als hij.
- Valter (hoofdpiloot van het festival): Het slachtoffer. Hij werd gevonden naast een ballonmand.