🕵️

Scenedoku

Logicazaken op de plaats delict

Op de drempel

Villa · oudejaarsavond · op een drempel ben je in twee kamers tegelijk · Moeilijkheid: Hoofdinspecteur 10 · 16×16

Oudejaarsavond in de villa Hollós. De hoofdmuren van het oude huis zijn zo dik dat een deuropening een klein plekje op zich is: wie op een drempel blijft hangen, kan in twee kamers tegelijk praten – en de hele avond deed iemand dat. Om middernacht, op de drempel van het nieuwe jaar, werden de glazen geheven, maar Vencel, de gastheer, kwam niet naar de toast: hij lag dood in zijn studeerkamer, naast het bureau. Iedereen zegt waar hij was en wie er bij hem was, en niemand liegt. Toch kan een eerlijke zin het beste alibi van allemaal zijn, als iemand hem uitspreekt die zich in een deuropening bevond. Ontdek waar iedereen was – en wie alleen was met Vencel.

Regels

  1. Op de drempel: wie op een drempel was, was aanwezig in beide aangrenzende kamers.
  2. Twee kamers, één gebied: voor een persoon op een drempel vormen de twee kamers samen diens gebied.
  3. Elke rij en elke kolom bevat precies één persoon. Zodra je iemand plaatst, streep je zijn hele rij en kolom door.
  4. „Naast” = direct links, rechts, erboven of eronder, en in hetzelfde gebied. Vakjes met voorwerpen (tafels, open haarden, vitrinekasten, de piano, de biljarttafel…) en de massieve vakjes van de vier dikke hoofdmuren kunnen niet bezet worden; de stoelen, de fauteuils, de banken, de sofa, het bed, het tapijt en de drempels – de doorgangen in de hoofdmuren – wel. Een hoek van een gebied is een vakje van dat gebied dat aan een horizontale en aan een verticale zijde naar buiten grenst (aan een ander gebied, een muur of de rand van het bord).
  5. Richtingen slaan op rijen en kolommen, niet op dezelfde lijn: „precies één rij ten noorden van haar was een man” = de persoon in de rij direct erboven is een man, in eender welke kolom; „ten zuiden van Cintia” = in een rij onder de hare.
  6. De moordenaar was alleen met het slachtoffer: niemand anders was in dat gebied.

Verklaringen

  • Aladár (de broer van de gastheer): Hij was alleen met een vrouw. Hij was naast een fauteuil.
  • Borbála (de vrouw van de gastheer): Het harnas stond ergens in haar rij. Precies één rij ten noorden van haar was een familielid.
  • Cintia (de dochter van de gastheer): Zij was in de Balzaal. Er was geen man in haar gebied.
  • Dénes (de schoonzoon van de gastheer): De grammofoon stond ergens in zijn kolom.
  • Emőke (actrice): Zij zat op een stoel. Zij was niet in een hoek van haar gebied.
  • Ferenc (de zakenpartner van de gastheer): Hij was in de Salon. Er was een vrouw in zijn gebied.
  • Gizella (buurvrouw): Zij was naast een tafel. Van de mensen in haar gebied was precies één persoon een man.
  • Henrik (huisarts): Een vitrinekast stond ergens in zijn rij.
  • Irmgard (pianiste): De champagnetoren stond ergens in haar rij. Zij was ten zuiden van Cintia.
  • János (advocaat): Er waren precies twee andere personen in zijn gebied. Iemand in zijn gebied was naast de biljarttafel.
  • Kinga (journaliste): Er was precies één andere persoon in haar gebied.
  • Lenke (huishoudster): Een vitrinekast stond ergens in haar kolom.
  • Márton (kok): Een vrouw in zijn gebied was op een drempel. Een stoel stond ergens in zijn rij.
  • Nándor (chauffeur): Een fauteuil stond ergens in zijn gebied.
  • Oksana (dienstmeisje): De fontein stond ergens in haar rij. Precies één rij ten zuiden van haar was een man.
  • Vencel (de gastheer): Het slachtoffer. Hij werd gevonden in de Studeerkamer, naast het bureau – alleen met de moordenaar.

← Zaken