Scenedoku

Logicazaken op de plaats delict

De vooravond van de Vulcanalia

Pompeii · 23 augustus 79 n.Chr. · de tafeltjes van de geldschietster zijn verdwenen · Moeilijkheid: Inspecteur 7 · 10×10

Pompeii, 23 augustus 79 n.Chr., de Vulcanalia. In het huis van twee rijke vrijgelaten broers heeft de rentmeester een feestelijk diner aangericht voor de kooplieden van de stad; de gasten liggen op Romeinse wijze aan tafel op ligbedden. Onder hen is Vivia, de geldschietster op wier wastafeltjes elke schuld van Pompeii staat. Laat in de avond wordt ze dood gevonden, haar tafeltjes zijn verdwenen. De schulden stierven met haar.

Regels

  1. Elke rij en elke kolom bevat precies één persoon. Zodra je iemand plaatst, streep je zijn hele rij en kolom door.
  2. „Naast” = direct links, rechts, erboven of eronder, en in hetzelfde gebied. Vakjes met een voorwerp (de tafel, de fonteinen, het huisaltaar, de trap, de open haard, de amfoor, de zuilen, de standbeelden, de heggen, de ladders, het regenbassin en de kisten) kunnen niet bezet worden; de ligbedden en de banken wel.
  3. Richtingen slaan op rijen, niet op dezelfde kolom: „precies één rij ten noorden van haar was een vrouw” = er was een vrouw in de rij direct erboven, in eender welke kolom.
  4. „Direct naast een gebied waar niemand was” = op een vakje dat rechtstreeks – links, rechts, erboven of eronder, over de muur heen – aan een leeg gebied grenst.
  5. De moordenaar was alleen met het slachtoffer: niemand anders was in dat gebied.

Verklaringen

  • Albinus (de rentmeester): De amfoor stond ergens in zijn rij.
  • Benigna (de kokkin): Zij was naast de open haard.
  • Caecilia (de kamenierster): Een heg stond ergens in haar rij. Precies één rij ten noorden van haar was een vrouw.
  • Decimus (de fresco-schilder): Hij was alleen in zijn gebied. Een bank stond ergens in zijn rij.
  • Epidius (de wijnhandelaar): Er was precies één andere persoon in zijn gebied.
  • Faustina (de priesteres van Venus): Zij lag op een ligbed.
  • Gaius (de gladiator): Hij was de enige man naast een heg.
  • Hilaria (de parfumverkoopster): Zij was direct naast een gebied waar niemand was.
  • Iulius (de jonge dichter): Hij was naast een zuil.
  • Vivia (de geldschietster): Het slachtoffer. Ze werd gevonden naast een kist – alleen met de moordenaar.

← Zaken